Hoe jongeren leren geloven

Laatste

Gespreksvragen bij het hele boek

Ik heb gespreksvragen en andere verwerkingen gemaakt bij alle hoofdstukken van Kerk voor een Nieuwe Generatie. Ze zijn zowel geschikt voor kerkenraden, jeugdraden, jeugdleiders als ouders. Een aantal van deze vragen heb ik al eerder op deze blog gezet. Wil je alle gespreksvragen in één document hebben, stuur dan een mailtje naar sabine.pisa@gmail.com

Gespreksvragen bij hoofdstuk 3: Geloven begint thuis

Starter:
Noem één actie van jezelf in het kader van geloofsopvoeding waar je trots op bent.
Noem één grote vraag in dit kader waar je over zou willen doorpraten, die je bezig houdt.

Opvoedingsstijlen
Je opvoedingsstijl heeft invloed op hoe je kinderen naar zichzelf kijken, maar ook op hoe zij God zien. Op pag. 96-99 beschrijf ik de verschillen tussen autoritaire, onverschillige, permissieve en autoritatieve opvoeding. Welke opvoedingsstijl hanteer jij? En je partner?
In welke stijl ben je zelf opgevoed?
Klopt je opvoedingsstijl met het beeld van God dat je wilt overdragen?

Op internet staan testjes om je opvoedingsstijl vast te stellen, bijvoorbeeld op http://www.fss.uu.nl/ped/ped2/libelle.html. Deze test kan iedereen ter voorbereiding op de bijeenkomst thuis doen.

Ook kinderen hebben verschillende ‘stijlen’ om in hun geloof te staan, Corjan Matsinger vertelt hierover n.a.v. de Haggada (de Joodse Paasviering) op http://www.youtube.com/watch?v=8BJA6tnJ-mI&sns=em

Communicatie
Op pag. 100-101 staat een beschrijving van communicatiestijlen en het belang van het uitleggen van onderliggende waarden. Het stuk over ‘theologiseren met kinderen’ sluit hierbij aan (pag. 112-113).

Bedenk één of meer voorbeelden van kritische vragen die je kind(eren) nog niet zo lang geleden gesteld heeft/hebben over kerk of geloof. Vertel elkaar wat de situatie was en welke vraag werd gesteld of welke kritiek werd geuit. Vertel hoe je hierop in bent gegaan en bespreek dan met elkaar wat hierin goed ging en wat mogelijk beter had gekund. Hulpvragen zijn:
– heb je doorgevraagd wat je kind precies bedoelde of heb je gelijk antwoord gegeven?
– heb je gediscussieerd over de ‘vorm’, of heb je gepraat over de onderliggende waarde?
– wat is je onderliggende waarde (oftewel: waarom vind je het belangrijk dat je kind iets (niet) doet?
– heb je vooral zelf uitgelegd, of heb je vragen gesteld om je kind te helpen zélf een antwoord te vinden?

Hoe zien kinderen of het geloof voor hun ouders écht leeft? (pag. 102)
– Wat zien je kinderen van jouw geloofsleven, denk aan gebed, bijbel lezen, inzet voor de kerk?
– Op welke manier heeft je geloof invloed op je levensstijl (omgaan met mensen, tijd, geld, etc.)? Wat merken je kinderen daarvan? Hoe worden ze zich bewust van het verband tussen je levensstijl en je geloof?

Op pag. 114-115 wordt een aantal mogelijkheden genoemd om situaties te creëren waarin een gesprek met je kinderen over het geloof kan ontstaan.
– Heb je al ervaring met één of meer van deze vormen? Deel dit met elkaar?
– Welke vorm spreekt je aan en is ook te realiseren in jouw gezinssituatie?

Bidden en bijbel lezen
Nemen jullie als gezin tijd om samen te bidden? En om samen uit de Bijbel te lezen?
Wat is daar een goed moment voor? Hoe ga je ermee om als dat moment onder druk komt te staan?
Hoe zorg je dat kinderen van verschillende leeftijden aan hun trekken komen met uit de Bijbel lezen?
Hoe betrek je de kinderen actief bij het bidden?
Zegen je je kinderen?

Deel deze ervaringen met elkaar. Zie ook de tips in hoofdstuk 3.2.
Bespreek n.a.v. het delen wat van de dingen die andere gezinnen doen je aan je gezinsleven zou willen toevoegen.

Werkvorm: Neem 3 A3 vellen, op één schrijf je met stift ‘bidden’ op één ‘bijbel lezen’ en op één ‘zegenen’.
De tips die in hoofdstuk 3.2. genoemd worden kun je er op het betreffende vel alvast bij schrijven. De ideeën die uit de groep opkomen schrijf je erbij. Aan het eind omcirkelt iedereen met een andere kleur op elk blad één of twee dingen om thuis te gaan doen.

Bidden voor je kinderen, pagina 116.
Bid je voor je kinderen? Alleen, met je partner of samen met anderen?
Wat helpt je om dit regelmatig te doen?
Kijk eens op http://www.wakeupdeborah.nl: een site van mensen die elke dag voor (hun) kinderen bidden. Hierop staan allerlei tips en andere nuttige informatie.

Feesten

Schrijf de namen van de christelijke feesten en de voorbereidingstijd zoals advent en 40-dagen tijd verspreid op een flipovervel. Vertel elkaar hoe je deze feesten in je gezin vorm geeft en schrijf mooie vormen op de flipover om de naam van het feest heen (zo maak je een mind-map, zie plaatjes van een mind-map op internet). Voeg ideeën die genoemd zijn op pag. 108-109 toe.
Welke ideeën wil je meenemen naar je eigen gezin?

Samen naar de kerk

Hoe vinden je kinderen het in de kerkdienst?
Hoe vind je het zelf?
Vind je de kind/tienervriendelijkheid van een kerk een reden om een andere kerk te zoeken? Benoem argumenten voor en tegen.
Leg je je kinderen uit wat er in de kerkdienst gebeurt en stimuleer je hen actief deel te nemen?
Leg je je predikant/kerkenraad uit wat in de dienst je kinderen (en jezelf?) niet aanspreekt en stimuleer je hen daarin veranderingen aan te brengen?
Wat vind je van de stelling dat tieners die mee ‘moeten’ naar de kerk meer kans hebben om als ze wat ouder zijn vrijwillig naar de kerk te gaan dan tieners die thuis mogen blijven (pag. 110).

Stimuleer je je kinderen deel te nemen aan kerkelijke activiteiten of geef je voorrang aan andere bezigheden (sport, muziek, huiswerk). Welke boodschap geef je daarmee?
Wat zie je als het belang van deelnemen aan kerkelijk jeugdwerk voor je kinderen?
Bedank en complimenteer je jeugdleiders voor wat zij doen (of lever je vooral kritiek)?

Werkvormen:
Speel een gesprek uit met je zoon/dochter waarin je uitlegt waarom je wilt dat hij/zij naar een activiteit gaat waar hij/zij niet naartoe wil. Je kunt jezelf spelen en een ander kan dan je zoon/dochter spelen, maar andersom is ook leuk: jij speelt je zoon/dochter en een ander speelt jou.
Bespreek daarna met elkaar hoe het gesprek verliep: welke vragen of argumenten waren behulpzaam en welke riepen weerstand op?

Koop een aantal leuke kaarten en zoek de adressen op van de leidinggevenden van de activiteiten die je kinderen bezoeken in de kerk. Bedank hen voor hun inzet en onderteken de kaart met elkaar.

Voor kerkenraden
Lees heel hoofdstuk 3 ter voorbereiding van de bespreking.

Begin met een persoonlijk gesprek: heeft de kerk jou gesteund in de geloofsopvoeding van je kinderen? Wat heeft dat je gegeven en wat heb je gemist?

Wat is jullie visie op het belang van ondersteuning van gezinnen in hun geloofsopvoeding? Hang drie stellingen op en laat iedereen gaan staan bij de stelling die hij/zij het meest onderschrijft:
a. de kerk organiseert activiteiten voor kinderen en tieners, maar bemoeit zich niet met wat ouders thuis doen.
b. de kerk heeft de verantwoordelijkheid om ouders te ondersteunen in hoe ze de geloofsopvoeding thuis vormgeven.
c. omdat de rol van gezinnen in geloofsoverdracht zo groot is, moet de kerk alles doen om hen te ondersteunen in hun huwelijk en hun opvoeding.

Welke ervaringen zijn er de laatste tien jaar opgedaan met het ondersteunen van ouders in de (geloofs)opvoeding? Denk aan cursussen, preken, pastoraat, speciale kringen, doopcatechese, etc. Hoe evalueren jullie die ervaringen: wat werkte goed, wat minder – en waarom?

Lees hoofdstuk 3.3. over hoe de kerk ouders kan ondersteunen in een goede geloofsopvoeding en zoek informatie over de betreffende organisaties en vormen op internet op (zie de eindnoten 14 t/m 18).
Welke vormen van ondersteuning passen bij jullie visie? Hoe ziet jullie ideaalplaatje wat betreft ondersteuning van ouders eruit?

Wat is er nodig om van de huidige situatie naar het ideaalplaatje te komen? Dit kan verder uitgewerkt worden door een aparte groep die hiervoor opdracht krijgt.

Gespreksvragen bij hoofdstuk 4: de kerk als geheel

Deel 1. Passie voor God, jongeren en de wereld

Lees hoofdstuk 4.1.

Is jullie gemeente een gemeente met passie voor God, voor jongeren en voor de wereld dichtbij en ver weg? Bespreek met elkaar waarin dit te zien is en wat je vindt ontbreken.
Hoe zouden de dingen die te zien zijn versterkt kunnen worden, zodat jongeren deze (beter) gaan zien? En als er te weinig passie is, hoe zou die kunnen groeien?
Maak een schema om deze dingen op te schrijven en bedenk vervolgens samen wat a) het meest effect zal hebben en b) het meest realistisch is om aan te werken.
Wat is er nodig om daarmee aan de slag te gaan?
Wie kun je hiervoor benaderen?

Deel 2: Kerkdiensten

Lees hoofdstuk 4.2. over de kerkdiensten.

a. Vallen de diensten in jullie gemeente onder 1.0, 2.0. of 3.0?

b. Hoe ervaren jullie zelf de diensten: wat bouwt je op, wat inspireert je, waar leer je wat van? Denk daarbij aan alle onderdelen:
– het zingen en de muzikale begeleiding daarvan: kun je hierin God ontmoeten?
– de preek: wordt hierin de brug geslagen tussen de bijbel en je eigen leven?
– de gebeden;
– de overige elementen in de liturgie
– getuigenissen
– het onderlinge contact voor en/of na de dienst.

c. Stel deze vraag ook aan een aantal jongeren om erachter te komen hoe zij de diensten ervaren. Mogelijkheden hiervoor zijn:
– een gesprek met je eigen kinderen;
– korte interviews met jongeren individueel of in groepjes van 2 of 3 (deze interviews kun je eventueel opnemen om ze later met elkaar te bekijken en te bespreken);
– een groepsgesprek in een jeugdgroep.
De vragen bij (d) kun je hier ook in meenemen.

d. In dit hoofdstuk worden een heleboel mogelijkheden genoemd om dingen in de diensten te veranderen. Kies maximaal drie dingen die belangrijk zijn voor de jongeren in jullie gemeente én die haalbaar zijn (die keuze kun je natuurlijk het beste maken in gesprek met jongeren zelf). Hieronder een samenvatting van de mogelijkheden die in hoofdstuk 4.2. genoemd worden:
– Zingen uit meerdere bundels, met begeleiding van een band.
– Predikant gaat met jongeren in gesprek ter voorbereiding van de preek.
– De preek wordt ondersteund met visuele hulpmiddelen.
– Er is interactie tussen de predikant en de gemeente (voorbeelden in het hoofdstuk).
– Mensen van alle generaties betrekken bij het doen van de voorbeden.
– Gemeenteleden vertellen in de dienst over hun eigen geloof (getuigenissen e.d.).
– Jongeren en volwassenen ontmoeten elkaar na de dienst.

e. Als jullie het belangrijk vinden dat jongeren meer worden aangesproken door de diensten, wat is dan de beste manier om dit proces in gang te zetten? Houd er rekening mee dat dit een proces is dat veel tijd kan kosten en dat weerstand op kan roepen. Vragen die in ‘ten slotte’ van hoofdstuk 4.2. gesteld worden voor dit gesprek, zijn:
– Hoe ziet de gemeente de kerkdienst? Wat wil de gemeente met de diensten bereiken en wie wil ze ermee bereiken: volwassenen, kinderen, tieners, twintigers…?
– Welke van deze groepen worden daadwerkelijk bereikt? Wie haken af?
– Hoe belangrijk vindt de gemeente het dat deze groepen door de diensten worden aangesproken?
– Hoe kun je onderbouwen dat er dingen moeten veranderen in de diensten? Denk daarbij aan: a) vanuit wat jongeren in je gemeente over de diensten zeggen én wat ze doen (komen of wegblijven), b) vanuit veranderingen in de cultuur (zie hoofdstuk 1).
– Met welke veranderingen kun je een proef doen? In welke dienst (ochtend, middag) en hoe vaak kan deze proef het beste uitgevoerd worden? Bespreek ook hoe dit geëvalueerd wordt.
– Wat kun je doen om mensen mee te nemen in deze verandering? Denk aan: het bespreken van de vragen bij dit hoofdstuk op een gemeente avond; jongeren en volwassenen met elkaar in gesprek laten gaan over de kerkdiensten; artikelen in het kerkblad.

f. Lees het hoofdstuk ‘kerkdiensten 3.0.’
Heb je al eens één of meerdere vormen die hier genoemd worden meegemaakt? Zo ja: hoe heb je dat ervaren?

Deel 3: Kleine gemeenschappen waarin je geliefd wordt

Lees hoofdstuk 4.3.

a. Ben je zelf lid van een kleine groep in de gemeente?
Wat betekent deze groep voor je? Denk aan: geloofsgroei, vriendschap, steun, etc.

b. Wat betekent deze groep voor je kinderen? Denk aan:
– de kinderen/jongeren van de groepsleden leren elkaar kennen en vormen zo ook een gemeenschap met elkaar;
– de kinderen/jongeren leren de volwassenen kennen en zo ontstaat er wederzijdse betrokkenheid;
– de volwassenen uit de groep bidden voor elkaars kinderen.
Als deze dingen nu nog niet gebeuren, wat zou je willen dat wel gaat gebeuren?
Hoe kun je dit in de kleine groep ter sprake brengen?

c. Welke van de volgende activiteiten ondernemen jullie nu met de kinderen van de leden van de kleine groep? En welke zou je willen ondernemen? (pag. 153-154)
– samen eten;
– thema bijeenkomsten;
– samen diaconaal project doen;
– een weekend weg;
– volwassenen ‘adopteren’ kind/jongere om voor te bidden en samen dingen te doen.
– anders, nl…..
Kies om te beginnen één ding en ga dit ook echt doen.

d. Voor kerkenraden:
– wat zou het voor de gezinnen in je gemeente kunnen betekenen als er meer kleine groepen zouden zijn en deze meer intergenerationele activiteiten zouden hebben?
– welke mogelijkheden zien jullie om het aantal kleine groepen te laten groeien?
– welke mogelijkheden zien jullie om kleine groepen te stimuleren meer samen met de kinderen/jongeren van de groep te laten doen?

Deel 4: Kleine werkgemeenschappen (taakgroepen) waarin je mede verantwoordelijk bent

Lees hoofdstuk 4.4.

a. Hebben jongeren taken in jullie gemeente? (bijvoorbeeld in het kinderwerk, muziek, e.d. zie pagina 158). Neem een groot vel papier (flapover vel) en schrijf daarop de verschillende taken die er zijn in de gemeente. Schrijf daarbij bij welke taken jongeren betrokken zijn en voor zover mogelijk hun namen of de aantallen jongeren.
Zijn er taken waar nu geen jongeren bij betrokken zijn, maar dat wel zouden kunnen zijn?

b. Neem een groot vel papier en verdeel dat in 3 vakken, schrijf aan de linkerkant zoveel mogelijk argumenten om jongeren wél taken te laten doen in de gemeente, denk daarbij zowel aan de positieve effecten voor jongeren als voor de gemeente (zie ook pagina 157).
Schrijf aan de rechterkant argumenten om jongeren géén taken te laten doen in de gemeente, zowel vanuit de jongeren als vanuit de gemeente.
Bedenk vervolgens wat je kunt doen om, rekening houdend met de lastige dingen die je rechts hebt geschreven, jongeren meer te betrekken bij taken in de gemeente. Welke ondersteuning van volwassenen (ouders, vrijwilligers) hebben zij nodig om de taken goed te kunnen doen én daarin ook echt hun eigen inbreng te hebben?

Je kunt dit gesprek met volwassenen óver jongeren voeren, maar het is natuurlijk beter om het samen mét jongeren te doen. Bijvoorbeeld op een jeugdgroep avond.

c. Je kunt hetzelfde doen voor kinderen in de bovenbouw van de basisschool.

Gespreksvragen bij hfst 2: Een Koninkrijk waar je bij wilt horen

1.    Zoektocht naar wie God is
Met welk beeld van God ben jij opgegroeid? Probeer in een paar kernwoorden te beschrijven wat kenmerkend voor dat beeld is.
Is je beeld van God in de loop der jaren veranderd? Probeer ook dit in een aantal kernwoorden te beschrijven.
Alternatief: gebruik ‘Kaarten op tafel’ en kies in plaats van een aantal kernwoorden drie tot vijf kaartjes om te laten zien hoe het vroeger was en hoe het mogelijk veranderd is.

Welk beeld van God wil je zelf doorgeven aan je eigen kinderen en/of de jongeren in je jeugdwerk?
Bevraag je hen op hoe zij God zien en laat je je door hen bevragen? (p.66)

De commentatoren in de kantlijn benoemen de zoektocht naar mogelijke verschuivingen in hoe we God zien als ‘spannend’.  Hoe ervaar jij dit zelf? (bijvoorbeeld spannend, leuk, noodzakelijk, verkeerd, etc. )

2.    Het koninkrijk van God
In dit hoofdstuk beschrijf ik de verschuiving die ik heb meegemaakt in mijn beeld van God: van een ‘je moet geloven om in de hemel te komen’ naar ‘de theologie van het Koninkrijk’.
Ik zoom daarbij in op drie thema’s: visie op lijden, accent verschuiving van ‘ticket voor de hemel’ naar ‘geluk hier en nu’ en meer aandacht voor de Geest.
– Wat van deze theologie van het Koninkrijk en van deze accentverschuivingen herken je bij jezelf?  En wat roept mogelijk weerstand bij je op?

3.    Identiteit (pag. 72)
‘Voor jongeren in hun identiteitsontwikkeling gaat het niet alleen om wie je bent, maar ook waarom/waartoe je bent: het is je roeping Jezus te volgen door gestalte te geven aan zijn Koninkrijk.’
Ben je het hiermee eens?
Wat betekent dit voor de inhoud van het onderwijs aan jongeren in je gemeente?

4.    ‘Waar is wat werkt’ (pag. 70-72)
Merken jongeren in jouw gezin/jeugdgroep/gemeente dat het evangelie waar is doordat het werkt? Probeer concrete dingen te benoemen (mensen die veranderen, lichamelijke of innerlijke genezing, liefdevolle gemeenschap, bestrijding van onrecht, andere dingen…)
Hoe zou je deze dingen voor jongeren nog meer zichtbaar en ervaarbaar kunnen maken?

5.    Geluk (pag.77)
Jongeren in deze tijd vragen niet ‘Hoe kom ik in de hemel?’ maar: ‘Hoe word ik gelukkig?’ (pag.77)
Wat is jouw antwoord op die vraag? Welke rol speelt God daarin? En hoe wordt dit zichtbaar in wie jij bent en hoe je leeft?

6.    Ervaringen
‘Jongeren willen zien dat God bestaat door Hem aan het werk te zien. Ze raken uiteindelijk niet overtuigd  door allerlei argumenten (al zijn die niet onbelangrijk), maar doordat ze Gods aanwezigheid ervaren.’ en ‘Ruimte voor de heilige Geest is essentieel voor de kerk in onze belevingscultuur’ (pag. 79-82)
Bid je regelmatig dat Gods Geest werkt in jouzelf, in je jongeren en in je gemeente?
Doe je dat individueel of met elkaar? Wat heb je nodig om dat gebed niet te vergeten?
Neem tijd om hier met elkaar voor te bidden.

Aansluitend hierbij: wat zijn plekken waar je geestelijke ervaringen op kunt doen? (pag. 85-86)
Naar welke plekken neem je jongeren mee? Denk aan:
– christelijke conferenties en/of festivals (welke ken je?)
– Taizé of andere retraite plekken
– plekken waar jongeren zich in Christus’ naam in kunnen zetten voor anderen
– …………… (hier kun je veel verschillende dingen invullen).

Learning Communities voor Discipelschap

“Ik heb mensen nog nooit zo snel zien veranderen als het afgelopen jaar waarin we gingen werken met de huddels van Nederland Zoekt.”  Aan het woord is Ron Becker (mijn ex-collega van YfC en nu voorganger in Rotterdam) op het LEF/3DM trainingsweekend. Ik ben daar samen met 8 Nederlandse teams van jeugdleiders om te leren hoe we ook in jeugdwerk de principes van de snel groeiende missionaire beweging 3 DM kunnen toepassen. Ron begon hier vorig jaar met zijn gemeente mee via Nederland Zoekt. LEF (Navigators) startte dit najaar met de variant voor jeugdleiders. Wat is het geheim van de missionaire beweging 3DM?

Luisteren én Doen
In een huddel (een groepje van leiders die samen groeien in discipelschap) staan 2 vragen centraal: ‘Wat zegt God tegen je?’ en ‘Wat ga je daarmee doen?’.  De volgende bijeenkomst begint met: ‘wat heb je gedaan met wat je je had voorgenomen?’ Het is een combinatie van “niet mijn wil, maar Uw wil” en de leercirkel van Kolb. Simpel en doeltreffend, wat werkt in het onderwijs (doelen stellen en daarop aangesproken worden), werkt ook in de kerk. De LEF-leiders zullen samen huddels vormen die worden begeleid door LEF en op hun beurt weer huddels leiden op hun eigen plek.

Discipelschap
De focus ligt niet op activiteiten maar op mensen. Jezus zegt: “Volg Mij”. Paulus: “volg mijn voorbeeld.” Zoals zij rolmodellen waren voor hun leerlingen, zo zijn wij dat ook. De jeugdleiders worden uitgedaagd niet alleen af en toe een jeugdavond te leiden, maar hun huis en hun leven voor de jongeren open te stellen door o.a. samen te eten. Kerk zijn is immers niet ‘deelnemen aan één of meer activiteiten’ (inclusief kerkdiensten), maar ‘een huisgezin zijn’, een liefdevolle gemeenschap. Het begrip ‘Oikos’ (extended family) speelt een belangrijke rol.

Up-In-Out
Deze 3 aspecten van kerk zijn moeten in evenwicht zijn. In veel kerken (en dus ook jeugdgroepen) ligt het accent vooral op In en Up, om missionair te zijn moet Out daarbij, zonder dat Up en In betekenis verliezen. Een goed evenwicht tussen deze elementen blijkt in de praktijk best lastig te zijn.
Een team uit Sheffield nam ons mee door de eerste stappen van een veranderingsproces: de teams (uit PKN, GKV, NGL/CGK, The Mall, Unie van Baptisten en een missionaire woongroep) dachten gedurende het weekend na over waar ze nu staan, waar ze over 5 jaar willen zijn en wat de eerste stappen zijn om daar te komen. Daarmee was het weekend niet alleen inspirerend, maar ook heel praktisch – een aspect dat vaak aan conferenties ontbreekt – want iedereen ging met een concreet werkplan naar huis. Over een half jaar zien we elkaar weer, ik ben erg benieuwd naar wat er dan gebeurd is.

Wat is er nieuw aan 3DM vraag ik me af als ik weer thuis ben. Ik ken alle verschillende elementen al. Wat wel nieuw is, is de combinatie ervan en vooral dat consequent doorvoeren. Natuurlijk valt er nog veel meer over te zeggen, zie daarvoor de boeken van Mike Breen en o.a. http://www.heblef.nu/watwijdoen/148 en http://www.weare3dm.com en http://www.nederlandzoekt.nl

Jongens en meiden

“Het leeftijdsverschil tussen jongens van 11 en meisjes van 13 is minstens vijf jaar,” verzuchtte een jeugdleider. Die ervaring werd herkend door de deelnemers aan de workshop ‘Jongens en meiden’ op het YfC TrainingsEvent2013. Moeiteloos wisten de jeugdleiders allerlei verschillen op te noemen: meisjes zijn langer, gedragen zich volwassener en hebben andere interesses dan jongens. Meisjes willen praten, jongens willen doen. En juist dat ‘doen’ zit er vaak niet in bij kerkelijke activiteiten waar vooral veel gepraat wordt. Ik vind dat best zielig voor al die jongens die op school al de hele dag stil moeten zitten en dan in hun vrije tijd in de kerk nog een keer. Als kind vonden ze het al niet leuk om in de kindernevendienst te moeten kleuren, knippen en plakken in plaats van te timmeren en te rennen. Als tiener moeten ze praten over dingen die ze niet echt boeien en leggen ze het natuurlijk af tegen de meisjes die veel beter zijn in al dat gepraat. En dan krijgen ze van de leiding ook nog eens het verwijt dat ze te druk zijn. Oké ik schets het een beetje zwart/wit, maar ik denk dat het wel herkenbaar is.
“Hoe laat je iedereen leuk meedoen in de groep?” vroegen de jeugdleiders. “Moet je dat wel willen?” stelde ik als wedervraag. Ze kwamen met verschillende redenen waarom het goed is om gemengde groepen te hebben: jongens en meiden moeten nu eenmaal leren met elkaar om te gaan, ze kunnen ook iets van elkaar leren en de sfeer in een uniseks groep is niet goed (jongens gedragen zich alleen stoer en competitief, meisjes gaan roddelen en gemeen doen). Of waarom het gewoon noodzakelijk is: de groep is zo klein dat we ze niet kunnen splitsen.
Anderen stelden daar tegenover dat het vaak gewoon echt beter werkt als je de jongens en meiden op z’n minst een deel van de avond (gespreksgroepjes) scheidt. Je doet de tieners dan veel meer recht omdat je beter aan kunt sluiten bij hun niveau en hun behoeften.
Ik vind dat een belangrijk argument. We leven in een tijd waarin het niet meer vanzelfsprekend is dat tieners naar het jeugdwerk van de kerk gaan. Net als iedereen in 2013 hebben ze het druk en kiezen ze voor die activiteiten die echt iets opleveren. Ook het onderwijs richt zich steeds meer op het leerproces van het individu en op internet zoek je die informatie en activiteiten die jíj wilt. Of we dat nu goed vinden of niet, zo werkt het wel. Ook in de kerk vind ik het daarom belangrijk zoveel mogelijk aan te sluiten bij de belevingswereld, de leerwensen en leerstijlen van de verschillende tieners. En dat gaat makkelijker als je bij bepaalde onderdelen de jongens en de meiden splitst, zeker in de onderbouw van de middelbare school. Natuurlijk heeft dat nadelen, maar voordelen heeft het zeker ook. Als ze ouder worden, komen ze vanzelf wel weer bij elkaar.

Al die verschillen tussen jongens en meiden vinden natuurlijk hun oorzaak in de verschillen in biologische ontwikkeling, een leuk filmpje daarover vind je op http://www.youtube.com/watch?v=8HVAh_FGHks

 

Harten voor God en tieners

foto

“Ik houd van God omdat Hij alles voor mij gegeven heeft” de ogen van de jeugdleider stralen terwijl hij dit zegt en ze blijven stralen als hij ingaat op de vragen die zijn collega leiders hem stellen: “kun je dat concreter maken?” en “waar merken de tieners dat dan aan?”

Ze zitten met groepjes van vier om de houten tafeltjes in de jeugdruimte van een vrijgemaakt gereformeerde kerk in een nieuwbouwwijk. Aan het begin van het nieuwe seizoen hebben ze mij uitgenodigd voor een toerustingsmiddag. We beginnen met de vraag ‘Als je aan het eind van dit catechesejaar een tiener uit jouw groep hoort vertellen hoe hij op dit jaar terugkijkt, wat hoop je dan dat hij zegt?’. Aan de tafels wordt hard nagedacht en uitgewisseld. “Ik hoop dat ze verwonderd zullen zeggen ‘ik wist niet dat Jezus zóveel van me houdt’.” zegt iemand. Een ander: “Dat het gezellig was, maar meer dan dat: dat ze iets van de passie van Jezus en voor Jezus hebben ontdekt.” Met die antwoorden sluiten ze prachtig aan bij de visie van de gemeente voor de catechese, waarin staat dat de jongeren zo worden begeleid dat ze zich steeds meer ontwikkelen in het liefhebben van God met heel hun verstand, heel hun hart en heel hun ziel. En dat ze zichzelf lief krijgen en hun naaste als zichzelf.

Dat kunnen de jongeren natuurlijk alleen ontdekken als ze het terugzien, horen en ervaren bij (o.a.) hun jeugdleiders. Daarom vraag ik de leiders aan elkaar te vertellen over hun liefde voor God. Iedereen krijgt 5 minuten om daar iets over te zeggen en door drie medeleiders erop bevraagd te worden. Daarna doen we eenzelfde ronde, maar dan gaat het over hun liefde voor de tieners in hun catechesegroepje. Ik ga langs de groepjes en hoor mooie, bemoedigende en soms ook kwetsbare verhalen. Het is kostbaar om deze dingen met elkaar te delen en je zo meer bewust te worden van je liefde voor God en voor de jongeren en het belang van het verwoorden daarvan. “Dit ga ik ook met de jongeren doen,” hoor ik een paar mensen zeggen.

De mooie dingen die ze ontdekt hebben, schrijven de leiders op papieren harten die ze aan een lange waslijn in de jeugdruimte hangen. Zo maken ze hun liefde zichtbaar. Ik bid met hen dat die liefde ook zo zichtbaar zal worden in hun huiskamers elke keer als ze daar met de tieners aan de slag gaan.

Vragen bij hfst 1: Hoe leren nieuwe generaties geloven in de 21e eeuw?

1.    Geloven in de verschillende levensfasen:
a. jijzelf
Welke herinneringen heb je aan je eigen geloofsontwikkeling als kind en tiener? Welke concrete voorbeelden komen bij je naar boven als je de tekst leest over de ontwikkeling van kinderen, tieners en postadolescenten?
Wat zijn mooie, waardevolle dingen die je geholpen hebben om te gaan geloven? Welke dingen hebben je belemmerd om te gaan geloven? En wat heb je gemist wat je graag had willen meemaken?

b. Je eigen kinderen
Als je zelf kinderen hebt: hoe oud zijn ze? Wat herken je bij hen? Kun je concrete voorbeelden geven van uitspraken of vragen die passen bij de verschillende periodes in het leven van kinderen en tieners?

c. Het jeugdwerk
Als je leiding geeft in het jeugdwerk: in welke levensfase zitten de kinderen/tieners waar je leiding aan geeft? Herken je wat hier beschreven wordt?
Wat vind je leuk en waar heb je moeite mee?
2. De tijd waarin we leven
Zet de 14 verschillende uitspraken (cursieve tekst) op kaartjes  (je kunt ook de tekstblokjes kopiëren en op kaarten plakken). Geef alle deelnemers de 14 verschillende kaartjes.

a. Sorteer de kaartjes voor jezelf: Leg de kaartjes met uitspraken waarin je je eigen manier van denken herkent links en de kaartjes met uitspraken waarin je je eigen manier van denken niet herkent rechts. Probeer Hierbij een volgorde aan te brengen van ‘meest herkenbaar’ naar ‘minst herkenbaar’.
Vergelijk je keuzes met elkaar en licht waar nodig toe waarom je de kaartjes in deze volgorde hebt gelegd.

b. Doe hetzelfde maar nu voor ‘de jeugd van tegenwoordig’.
Is er verschil tussen wat je bij (a) en bij (b) hebt neergelegd?

3. De generatie waar we bij horen
a. Bij welke generatie hoor je zelf?

b. Hoe zijn de verschillende generaties vertegenwoordigd in je gemeente? Welke is het grootst en welke het kleinst? En welke generaties zitten er in de kerkenraad?

c. Zie je tieners en twintigers vooral als Einsteiners die slimmer, sneller en socialer zijn dan de generaties voorhen. Of vooral als Grenzelozen die egoïstisch, asociaal, hedonistisch, stuurloos, onverschillig en materialistisch zijn?

d. Noteer welke kansen en welke bedreigingen m.b.t. het geloven van jongeren jij ziet als je de tekst in dit laatste deel van het hoofdstuk leest. Vul mogelijk aan met je eigen ideeën.

4. In combinatie met vraag 2 bij de Inleiding kun je een SWOT analyse maken:
Bij Strong (Sterkten) schrijf je de sterke punten van je eigen gemeente en bij Weak (zwak) de zwakten van je eigen gemeente. Wat je bij 3.d. hebt genoteerd vul je in bij Opportunities (kansen) en Threaths (bedreigingen).
Zet in elk vakje de 3 belangrijkste aspecten die je ontdekt hebt.
Vervolgvragen kunnen zijn:
– Hoe kun je gebruik maken van één of meer van je sterktes om één of meer kansen te benutten (en dus jongeren beter aan te spreken)?
– Hoe kun je gebruik maken van één of meer van je sterktes om één of meer van de bedreigingen af te weren (en dus te voorkomen dat jongeren afhaken).
– Hoe kun je werken aan één of meer van je zwaktes om in te spelen op één of meer van de kansen?
– Hoe kun je werken aan één of meer van je zwaktes om één of meer van de bedreigingen af te weren?
De verschillende hoofdstukken in het boek kunnen je helpen om meer inzicht te krijgen en ideeën op te doen.
(als je nog nooit een swot gemaakt hebt, zoek dan op internet hoe dit werkt, informatie genoeg).

Gespreksvragen bij de Inleiding: jouw startsituatie

In de inleiding beschrijf ik mijn eigen context en geef ik een kort overzicht van de thema’s die in het boek naar voren komen.

1.    Wat is de context van jullie gemeente?
– is je gemeente groot of klein?
– is ze groeiend of krimpend?
– is ze overwegend 1.0, 2.0 of 3.0?

2.    Als je een cijfer mag geven van 0 t/m 10 voor de kwaliteit van de verschillende aspecten die bijdragen aan het leren geloven van kinderen en jongeren, welk cijfer geef je dan?
a. Geloofsvorming (1) in je eigen gezin, (2) in gezinnen in de gemeente in z’n algemeenheid.
b. Levend geloof (1) bij jezelf en in je eigen gezin en (2) in de gemeente in z’n algemeenheid.
c. Aansprekende kerkdiensten waarin oud en jong God en elkaar ontmoeten.
d. Deelname aan kleine groepen (kringen) waar mensen groeien in geloof en onderlinge gemeenschap.
e. Actieve betrokkenheid bij het gemeenteleven, (1) van volwassenen en (2) van jongeren.
f. Het jeugdwerk: (1) voor kinderen, (2) voor tieners, (3) voor jongeren/jongvolwassenen.

Alternatief: zet deze aspecten op verschillende kaartjes (voor a en b kun je iedereen een eigen kaartje geven). Maak op een groot vel papier 3 vakken: goed, neutraal en slecht. Bepaal met elkaar welke kaartjes waar komen te liggen.

Bij het lezen van dit boek wordt duidelijk wat de samenhang tussen de verschillende onderdelen is en krijg je ideeën voor hoe je hiermee aan de slag kunt gaan. Je kunt het boek van voren naar achteren lezen, of beginnen met het hoofdstuk waar je het meest nieuwsgierig naar bent.

In gesprek over de kern…als voorwaarde voor verandering

“Jij schrijft over kerk 3.0, maar 2.0 is voor ons nog heel nieuw, wil je daar wat over  vertellen op onze gemeentedag?” Als ik hoor dat die dag georganiseerd wordt door drie jongens van een jaar of 16, zeg ik gelijk “ja”. Ik vraag wat ze precies willen; In eerste instantie lijkt het over kerkdiensten te gaan: “dat mensen snappen waarom diensten de aansluiting met jongeren missen.” Maar als we doorpraten, blijkt er een andere vraag onder te liggen: “In de kerk lijkt het sleur, ver-van-mijn-bed, “ zegt Tom: “ik wil terug naar de basis: de liefde van Jezus, die lijkt in de kerk te missen. We willen mensen met elkaar in gesprek laten gaan over hun persoonlijke geloof en beleving.” We gaan dus niet praten over vórmen (een opwekkingsliedje meer of minder), maar over de kérn van kerkzijn: Gods liefde voor ons en onze liefde voor Hem.

Zo’n 80 mensen komen naar de workshop. Niemand heeft aan een microfoon gedacht, dus ik dank in stilte de logopediste die me leerde hoe ik zonder mijn stem te forceren ook de achterste rijen kan bereiken. Ik neem hen mee in wat jongeren- en volwassenen net zo goed –  nodig hebben om te geloven: (1) Kennis (hoofd): weten wie God is, waarbij het vooral belangrijk is dat de brug tussen de bijbel en hun leven hier-en-nu geslagen wordt; (2) De ervaring dat God van jou houdt (hart), die veel mensen krijgen door de Heilige Geest te vragen in hun leven te komen; (3) Dat jij op jouw beurt echt van God houdt, en dat je als verschillende generaties elkaar daarin kunt stimuleren; En (4) Dat je geloof concreet handen en voeten kunt geven in het leven van alledag, wat o.a. betekent dat jongeren ook verantwoordelijkheid krijgen in de kerk. In de kerkdienst kun je dat bijvoorbeeld vormgeven door concrete voorbeelden, verhalen en getuigenissen (hoofd), door verschillende soorten liederen te zingen en door n.a.v. een preek of bijbeltekst dingen met elkaar te delen (hart), door jongeren actief mee te laten doen en ook te vertellen hoe ze in hun dagelijks leven hun geloof concreet vorm kunnen geven (handen). Daar valt nog veel meer over te zeggen, maar dat laat ik vandaag achterwege, want ik wil graag dat de mensen zelf met elkaar aan de slag gaan. Het thema van vandaag is immers ‘verbinding’. Daarom  geen rationele discussie, maar ruimte voor echte ontmoeting: in groepjes van 4 delen de mensen met elkaar hoe zijzelf geloven met hoofd, hart en handen. Er worden intensieve gesprekken gevoerd, mensen delen hun mooie dingen en hun moeiten, ze bevragen en bemoedigen elkaar.

Na afloop hoor ik dat het horen van elkaars verhalen mensen geraakt heeft. En dat het mensen aan het denken gezet heeft over hun eigen geloofsbeleving en dat er wellicht meer mogelijk is dan ze nu denken.  Ik hoop van harte dat ze daarmee verder gaan. Niet alleen voor henzelf, maar ook omdat het een voorwaarde is voor de veranderingen die jongeren graag zien in de kerkdienst: als mensen écht een levend geloof hebben, zijn ze namelijk ook bereid om de vormen te veranderen als dat nodig is om het doel (bijvoorbeeld dat jongeren God leren kennen) te bereiken. Maar als mensen meer waarde hechten aan de traditie dan aan hun relatie met God, dan zullen ze tegen veranderingen in opstand komen. In gesprek over de kern is dus een voorwaarde voor verandering.